Boekpresentatie ‘Laat mij maar zingen’

Psalmen na geschreven door Gert Bremer

 

Zie Boeken Actualiteit

 

 

 

Inleiding Joost Jansen, directeur Berne Media

 

Liederen van het paradijs

 

Het boek dat vandaag ten doop wordt gehouden in deze kerk, is een vrucht van het paradijs. De psalmen nageschreven zijn vruchten van het paradijs. Ik wil het jullie uitleggen want zo’n boude uitspraak roept natuurlijk vragen op. Deze uitspraken staan tegen de achtergrond dat de mens altijd ergens op zoek is naar het verloren paradijs, the lost paradise. Daarom zoekt een Adam een Eva met de bedoeling samen gelukkig en vruchtbaar te worden. En als dit verbond wankelt en zelfs andere wegen genomen moeten worden, dan lonkt een gemeenschap waarvan we hopen en verlangen dat deze plaats, deze heilige grond, deze samenleving van broeders, je op weg helpt richting dat ‘paradise lost’. En als ook dat vraagt om een volgende stap, een volgende etappe op de levensweg dan richt je maar een meditatiehal op en verdiep je je in het komen tot de innerlijke rust en vrede waarvan we vermoeden en geloven dat dit de coördinaten zijn van dat paradijs, verloren en steeds opnieuw te zoeken en te vinden.

Er zijn verhalen, gezangen, die het boek, het liedboek vormen voor die weg die ons wil brengen naar dat paradijs. Een vrucht daarvan staat vandaag centraal. En Gert heeft deze gezangen mogen optekenen. Hij heeft hiervoor een paradijselijke weg bewandeld. Nu ga ik deze cryptische praat onthullen. Ik vind namelijk dat dit boek Laat mij maar zingen. Psalmen nageschreven laat zien waartoe de joodse Bijbelleesweg kan leiden, de viervoudige weg van de joodse Bijbelinterpretatie. De christelijke kerkvaders sluiten naadloos hierop aan en de lectio divina die een van de leessleutels is in deze tak van sport, wint vandaag meer en meer terrein. De rabbijnen onderscheiden vier benaderingswijzen van dezelfde Bijbeltekst: de pesjat, de remesj, de darasj en de soth. Wanneer we de eerste letters van deze woorden nemen dan krijgen we het woord PaRDeS: het roept paradijs op en dat is ook de bedoeling. Wat betekenen deze woorden pesjat, remesj, darasj en soth? Pesjat: de letterlijke betekenis (de littera bij de kerkvaders), remesj: de overdrachtelijke betekenis (de anagogia), darasj: de betekenis voor het juiste handelen (de sensus moralis) en soth: de mystieke, de biddende betekenis (sensus mystica). Het is een wijze van bijbellezen die ten grondslag ligt aan de lectio divina, het biddend lezen van de Schriften. Gert heeft dat gedaan en de vrucht van dit paradijselijk lezen wordt nu aan ons geopenbaard

Komen we alle vier betekenissen in dit boek over/van de psalmen tegen? Neen. Gert laat ook wat werk voor ons over. De pesjat, de letterlijke betekenis is voor hem verschillende Nederlandse vertalingen geweest. Beter had dat natuurlijk de Hebreeuwse grondtekst moeten zijn… Het zij Gert vergeven. Dan komen we bij de overdrachtelijke betekenis, de anagogia, de remesj: die is wel overduidelijk aanwezig. Daarom luidt de ondertitel Psalmen nageschreven. Wie Gert goed kent, en dat zijn er natuurlijk een flink aantal bij deze presentatie, zal een inkijkje krijgen van zijn biddende ziel, zijn bewogen hart. De darasj en de soth (de betekenis voor ons handelen en die voor ons bidden): die zijn aan ons. Het is aan ons om wanner we deze psalmen biddend lezen ons leven te vernieuwen en dat te doen wat in de psalmen op alle pagina’s te ontdekken valt: je laten bewegen door Gods Geest, de klacht van de onderdrukte opvangen, en vooral loven en danken, zelfs in de verdrukking. Want wie God dankt staat niet bij zichzelf stil maar is gericht op de (A)ander of die nu met een kleine of met een hoofdletter wordt geschreven.

Zo krijgen we een mooi boek, zowel mooi inhoudelijk als ook de wijze van uitgeven. Als Uitgeverij Abdij van Berne zijn we er trots op. Ook om verschillende andere redenen. Als uitgeverij – onderdeel van de norbertijnenabdij van Berne – stellen wij ons ten doel om de Goede Boodschap op velerlei wijzen te communiceren. Of het nu is met onze wekelijkse boekje voor de zondagsliturgie, of met een keur van boeken, met onze online verkoop berneboek.com, met onze evenementen of met de website katholiek.nl. Nog een reden: wij zijn religieuzen en we zijn blij dat vanuit deze sector in de kerk wij manuscripten krijgen aangeboden. Voordeel is tevens dat we dichter bij de aangeboden inhoud zitten dan een seculiere uitgeverij.

Dan nu het boek! Alle 150 psalmen zijn door Gert Bremer opnieuw verwoord. Door de tomeloze energie waarmee hij zijn eigen marketing heeft bedreven, weten wij bijna allen reeds wat we in dit boek kunnen verwachten. Geen nieuwe vertaling vanuit het Hebreeuws, geen nieuwe verdichting van de psalmen, maar een naschrijven van de psalmen door Gert zelf die zich daarin ook bloot geeft. We leren Gert erin kennen.

Het is een boek voor persoonlijk gebruik. Ikzelf meen dat de psalmen op de eerste plaats gezongen moeten worden in het midden van de gemeente, gezongen, na eerst gelezen en ‘gelernt’ te zijn. Waarom? Omdat het liederen zijn van een gemeenschap? Ja, dat is waar. Het is een gemeenschap, het volk van God dat er voor gezorgd heeft dat deze 150 het zijn geworden, gefilterd uit een overdaad aan liederen die in de loop der eeuwen door mensen zijn gemaakt, gebeden. Daarom is het mooi dat bij het startsein in ieder geval een kerk vol samen zich bij deze 150 psalmen gaan thuis voelen.

Laten we dat gaan doen.

 

 

Woord van Gerard Swuste

 

Laat ik beginnen met iets te lezen uit dit prachtige boek:

Gij, Ene, laat mij maar zingen,

elke dag tot vijfmaal toe.

En doorgeven dan de dag aan de dag:

Aan de ochtend de middag

en die weer aan de avond,

de dag door aan haar nachtelijk begin.

Ene, Gij, geef mij zo te mogen zingen

en ga Jij dan verder maar Jouw gang.

Deze acht regeltjes schrijft Gert Bremer na zijn omtaling van Psalm 146. Ik zie hem nog staan, in de koorbanken van de abdij. Inderdaad, vijf maal per dag. De psalmen als een rode draad van gebed door de dag. Ja, laat mij maar zingen. ‘Zingen voor Jou, met hart en ziel’. Psalm 146 zou de herkenningsmelodie, de tune van het hele boek van de Psalmen kunnen zijn. 150 liederen die recht uit het hart komen. Ze zijn twee- tot drieduizend jaar oud en in die tijd is er in de wereld enorm veel veranderd. Maar wat de mensen in hun hart meemaken aan verdriet, vreugde, machteloosheid, blijdschap, geloof, ongeloof, dat is van alle eeuwen. En daar zingen de psalmen over. En daarom zingen, lezen en bidden we ze nog steeds.

Er wordt van de hele Schrift wel eens gezegd dat dit is het Woord van God. Wat daarmee bedoeld wordt laat zich niet zo gemakkelijk uitleggen, de Schrift is per slot van rekening gewoon mensenwerk, maar je zou kunnen zeggen: in de Schrift kun je lezen hoe God de wereld, de mensen bedoeld heeft. Maar voor het Boek van de Psalmen zou ik het anders willen zeggen: dat is niet het Woord van God. Dit is het woord van de mens, het gebed van de mens tot de Levende God, de Ene. En lezend, bladerend door die 150 gedichten, liederen, kun je niet anders dan tot deze misschien wel troostvolle conclusie komen: tegenover de Levende mag je alles zeggen. Zeg maar wat je op de hart hebt. En waarom ook niet? Psalm 139 is daar heel duidelijk in. De Levende weet het al lang, die weet wat er in mij omgaat. In de vertaling van Gert: ‘mijn alles is bij Jou geweten’.

Alles mag je bidden, mag je zeggen. Ik vind dat de grote troost van dit boek. Het kan me woorden in de mond leggen die me zo nu en dan te groot, te mooi, te bitter zijn. Laat me ze dan maar zingen. Dan zing ik wat ik nooit zo zou durven of willen zeggen. Maar het komt wel uit mijn hart. Er zijn er die vinden dat de Psalmen daarin veel te ver gaan. Voor wie sommige van die 150 gedichten een steen des aanstoots zijn. Want hoe kun je nou bidden dat je vijand totaal wordt weggevaagd? Of hoe kun je de woorden van diezelfde ontroerende Psalm 139 in de mond nemen als die aan het slot ineens een totaal andere toon aanslaat:

‘Jij, Ene,

roei uit, de aanstichters van tirannie!

Breng om, dat volk met bloed aan de handen!’

en even verder:

‘die haat ik hartgrondig,

dat zijn echt mijn vijanden.’

Heeft Jezus ons niet geleerd dat we onze vijand moeten liefhebben? Past die wraakzuchtige taal in een gebed? Nou, ik denk het wel. Ben ik diep in mijn hart niet zo nu en dan stevig aan het vloeken of aan het klagen? Ik geef dat misschien niet zo graag toe, maar wat is er eigenlijk mis mee? Woede om onrecht dat ons overkomt, of dat mensen naast ons overkomt, of wat tot ons komt via de media. Woede, stem in mij die schreeuwt dat daar een einde aan moet komen, dat daar letterlijk en figuurlijk met alle geweld een eind aan moet komen. Woede, als ik hoor en zie en tot me laat doordringen wat mensen mensen aandoen en ik me machteloos voel en toekijk met lege handen. Die stem in mij. God mag die horen. Als hartenkreet, als uiting van onmacht, als schreeuw om hulp. Dat is heel wat anders dan feitelijk ook wraak nemen, het recht in eigen handen nemen. Als de Psalmist zich ergens van bewust is dan het is het wel dit: God is koning. En in de wereld van de psalmist is de koning niet alleen degene die bestuurt, maar ook degene die rechtspreekt. En zo is het ook in de theologie van de Psalmen. De Levende is koning, regeert, ziet om naar mensen, maar de Levende is ook rechter, het is aan de Levende om te oordelen. Maar ik mag zeggen wat ik op mijn hart heb. Bij de Levende is dat veilig. En zo krijg ik mijn woede toch een beetje in handen. En misschien ook de moed om te blijven kijken naar wat er om me heen en in de wereld gebeurt, om mijn ogen niet af te wenden, al voel ik me misschien ook een machteloze toeschouwer.

Psalmen lezen, bidden, zingen doen we overigens niet alleen om het hart te luchten. Op een bijna stiekeme wijze zijn psalmen ook leerdichten. Met name als ze zingen over de Tora, dat je die moet proeven dag en nacht, waarvan je smaak te pakken moet zien te krijgen, die je je moet eigen maken, omdat het de enige betrouwbare wegwijzer is door je leven. Al zingend en biddend ben ik aan het leren.

En de Psalmen hebben nog een andere, minstens zo wijze les. Er zijn twee, misschien drie psalmen die in de klacht beginnen en in de klacht eindigen. Totaal zwart. En er is minstens één psalm, de laatste, nummer 150, die helemaal en totaal in de jubelende zevende hemel is. Maar alle andere psalmen zijn genuanceerd, veelkleurig. Als model zou je kunnen kijken naar psalm 13, meestal een klaaglied genoemd. Ja, het is een psalm met een klacht, met maar liefs vier keer de kreet ‘hoe lang nog’. Maar daarna komt het gebed en tenslotte het vertrouwen. Deze en al die andere zogeheten klaagpsalmen blijven niet steken in de klacht. En iets dergelijks geldt voor bijna alle psalmen. Ze zijn nooit eenduidig, altijd veelkleurig en genuanceerd. En ik vind dat ik daarvan kan leren. Ook de werkelijkheid is altijd veelkleurig, die heeft een heleboel kanten. En wat die nuance in de klaagpsalmen betreft. Het uiten van de klacht, het bidden van de klaagpsalm, dat geeft al iets van innerlijke rust. Zijn dan alle problemen opgelost? Nee, dat is onwaarschijnlijk. Maar ik krijg de harde werkelijkheid iets meer in handen, ik kan weer verder. De psalm zet mij met zachte hand op die moeilijke weg. En ik zal datzelfde klaaglied ongetwijfeld nog wel eens in de mond nemen.

Ik sta hier nu het boek van Gert aan te prijzen en u vraagt zich misschien af of dat wel verstandig is. Want Gert is voor mij niet alleen een dierbare vriend, maar in feite ook een concurrent. Ik heb immers zelf 2 ½ jaar geleden een bewerking van de Psalmen uitgegeven. Dit praatje zou dus kunnen lijken op broodroof. Zo zie ik het niet. Als je echt van de psalmen houdt, als je je daar echt in wil verdiepen, dan kan ik alleen maar zeggen: leg vertalingen naast elkaar. De zeer letterlijke Albert Koster of Kees Waaijman, de vrije bewerkingen van Anton Ent, Lloyd Haft, Karel Eykman, Huub Oosterhuis, de prachtige vertaling van Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde, Nederlands van puur eikenhout, een monument in de Nederlandse literatuur, en vergeet dan niet die van Gert en eventueel ook niet die van mij. Ze cirkelen allemaal rond die ene oorspronkelijk psalm, ze doen allemaal pogingen om tot de kern door te dringen en ze slagen daar allemaal bij tijd en wijle op hun eigen manier heel aardig in. Vrije bewerkingen om maar duidelijk te maken dat de psalmen niet haaks staan op ons leefgevoel, letterlijke vertalingen om precies aan te voelen wat er staat. Ze benaderen allemaal met veel respect de grondtekst, willen ons allemaal laten voelen wat al sinds mensenheugenis in mensen omgaat. Wat voegt het boek van Gert aan die stapel psalmenboeken toe? Daar is natuurlijk allereerst zijn omtaling. Gert verwoordt maar al te graag de psalmist in zijn uitdagende momenten. Waar de dichter van de psalmen tot het gaatje gaat van wat je zou durven bidden, gaat Gert gretig mee. Maar wat dit boek echt bijzonder maakt zijn de korte overwegingen die Gert na iedere psalm heeft geschreven, zijn naschriften. In een paar regels verwoordt hij hoe de psalm hem geraakt heeft. Ik heb steeds de neiging om na het lezen van die korte stukjes de psalm nog eens door te nemen. Die naschriften doen meer dan recht aan de psalmen, ze werken als een echo, zo kan een psalm weerklank vinden in mij.

Het wordt tijd dat we weer gaan zingen. Psalm 16. Gert houdt natuurlijk van alle 150 psalmen, dat is in zijn boek ook duidelijk te merken, maar Psalm 16 is toch wel bijzonder voor hem. Misschien is dat om de afkeer van alle afgoden, van macht, geld, gouden kalveren en zilveren sleeën en je te durven wenden tot waar het in dit leven echt om gaat. Misschien ook wel om die prachtige dubbele bodem: het is een psalm die met grote woorden uitspreekt dat Jij, Ene, mijn alles bent, voor mij geen ander dan Jij, mijn lot leg ik vol vertrouwen in jouw hand en ga zo maar door. Maar de psalm begint met een smeekgebed: bewaar mij, hoor je mij wel? Dat samengaan van het volste vertrouwen, gekruid met een tikkeltje twijfel. Je zingt met overtuiging, maar het moet zich ook nog maar steeds opnieuw waarmaken. In zijn boek sluit Gert Psalm 16 af met de volgende regels:

Gij Ene, hoe mooi zou het zijn dit te voelen

zo vertrouwd te zijn en in Jouw nabijheid.

Wijs mij dan die weg

en ik geef mij gewonnen.

Ene, Gij,

Jouw handen om mijn naam?

Ja. Wat zou het mooi zijn als je Psalm 16 zomaar helemaal welgemeend zou kunnen bidden. Leid me daar maar naar toe. En dat sluit Gert af met, wat ik vind, de ontroerendste zin in dit boek: Ene, Gij, Jouw handen om mijn naam? Met een vraagteken daarachter. Jouw handen om mijn naam. Een juweel van een zin. Dit boek staat vol met dergelijke juweeltjes.

 

 

 

Woord van Gert Bremer  

Ik moet dit maar niet te vaak doen…….!
Nu ik jullie hier allemaal zo zie zitten, zie ik een heel leven aan mij voorbijtrekken en dan ben de gelukkigste monnik van Amersfoort en Leusden,
want ja, zeg nou zelf:
Wie vindt er na zo’n lange scheiding weer zo veel lieve mensen terug
en op dezelfde plek waar het ooit het afscheid was……
Ik ben gelukkig met jullie: mijn familie, zo veel vrienden en bekenden, parochianen natuurlijk en niet te vergeten de Koorgroep met Frank en Myrto, Marie-José en Leo, en Gerard die we nu missen,
de zusters van de Zuidsingel en van de BW Laan
en die andere lieverds die mij financieel hebben gesteund bij mijn boek.
Mijn vrienden uit de tijd van KRO/RKK, vrienden vanuit de muziekschool, vanuit de Dominicus.
En niet in de laatste plaats mijn vrienden van uit en rondom Zundert van wie ik al weer een jaar gescheiden ben.
Speciaal wil ik mijn liefste broeder Frans noemen, die echt mijn voorbeeld is voor hoe je lief, nieuwsgierig en wijs negentig kunt worden als monnik.
Frans, je weet niet half wat het voor mij betekent dat jij hier nu bent als monnik van Zundert en als medebroeder.
En ik ben dankbaar voor mijn nieuwe vrienden van zen.nl Amersfoort Leusden
met wie ik nu een heel nieuwe weg bewandel. Wees welkom op dit feest!
En bij een feest in deze ruimte hoort psalm 150, die psalm met al haar
toeters en bellen en ik citeer mijn naschrift bij die psalm.

Gij, Ene,
laat mij maar zingen
met alle adem mee:
driemaal de vijftig rond,
om Jou, voor Jou, met Jou.
Moeilijke, Zwijgende, Meegaande, Vriend,
mijn bestaan zingt er in mee.
Ene, Gij,
zolang ik ademhaal
wil ik dit zinnen,
en daarna?
Begint het weer gewoon opnieuw.
En zo is het ook goed,
ja, heel goed!
Laat mij maar zingen

Mijn laatste feest was in 2012 toen ik mijn solemnele professie deed en mijn eeuwige geloften aflegde. Tijdens mijn monnikswijding, plat uitgestrekt op de grond, heb ik toen beloofd om in afzondering, eenvoud, celibaat en gehoorzaamheid mijn leven te slijten en om van buiten naar binnen te blijven zingen, naar de stilte toe. Maar ja….je kunt dingen in je leven wel van alles willen maar je moet het toch altijd samen doen met mensen en met mensen die je niet zelf hebt gekozen. Het zijn niet zelden anderen die jouw weg opbreken of jouw idealen dwarsbomen. Maar daar lag wel mijn verlangen: om geschuurd en geschaafd te worden door een weerbarstig monniksleven, om mijzelf daarin bloot te leggen, meer mens te worden, mijzelf te worden. En toch heb ik bij de vele beperkingen die je jezelf oplegt als monnik een grote vrijheid gevoeld en onconventioneel geluk. Wat dat betreft heb ik het monniksleven nog steeds hoog als een mooie en zinvolle vorm van leven. Ik zou het zo weer doen als ik wat jonger was.
Met al dat slijpen en schuren ben ik tot het gaatje gegaan en zelfs verder,
tot waar ik aan mijn diepste nacht naderde in de confrontatie met anderen en met mijzelf. Ik ben wel een doorzetter, maar het kan ook een valkuil zijn, op het gevaar af namelijk dat ik mijzelf begraaf. En dat begon stilaan te gebeuren. In begeleidingsgesprekken begon ik te beseffen dat mijn diepste wezen aan het verdwijnen was.
En toen, bij een veranderend klimaat in de abdij, ging het dramatisch hard en knapte er iets in mij, of moet ik zeggen: werd ik krijsend verlicht, stond mij helder voor ogen wat moest gedaan: een streep trekken.
Maar toch ook weer geen definitieve streep zoals in dit gedicht van Toon Tellegen dat vast ook over jullie gaat: ‘De streep’

‘Ik trok een streep
tot hier, nooit ga ik verder dan hier.
Toen ik verder ging trok ik een nieuwe streep
en nóg een streep.
De zon scheen en overal zag ik mensen
en iedereen trok een streep
iedereen ging verder’

Zo trok ik dus streep na streep.
En dat was innerlijk vechten met vragen en onzekerheden, met leegte en gemis aan warme nabijheid. Je vind het allemaal terug in de psalmen, deze Liedjes met licht en met donker mee.
Wij zijn nu dus terug in de wereld en ik zing weer verder en vind opnieuw mijn liedjes uit. Mijn boek markeert een moment van verandering, van transformatie zo je wilt en van verlichting bij wat geluk. Maar het is geen breuk: het is een verder gaan op de weg die 12 jaar geleden begon in de abdij. Nu proberen mijn verlangen opnieuw vorm te geven en mijzelf weer in de wereld zetten
want het leven moet geleefd worden.

‘Laat mij maar zingen’ werd eigenlijk ingegeven door mijn vader
Toen wij vroeger met zijn achten aan tafel zaten, werd mijn vader wel eens wat wanhopig van mijn gestotter. Een paar keer maar, maar genoeg, heeft hij geroepen: Jonge, zing het dan toch gewoon. Ik kon toen niet vermoeden dat hij daarmee de toon zette voor mijn verdere leven waarin zingen mijn leven vleugels gaf waar het sprekend zo vaak vast liep.
Ik zou mijn boek nu het liefst aan mijn ouders geven, zo van:
Kijk eens mam! Heb ik zelf gemaakt!
Maar helaas ze zijn er niet meer.

‘Verder word ik gedreven een onbekend land binnen.
De grond wordt harder, de lucht meer prikkelend koud.
Aangeraakt door de wind vanuit mijn onbekende doel
trillen de snaren in verwachting.
Aldoor vragen zal ik aangekomen zijn
waar het leven weg klinkt.
een heldere eenvoudige toon in de stilte.
Dag Hammarskjöld

 

Woord van Marie-José Burger

 

Weerbarstige stilte – beelden van God in het ziekenhuis

In 2009 komt Herman Finkers – na een periode van ziekte terug op het toneel met de voorstelling

’Na de pauze’ . De voorstelling begint met het lezen van psalm 131. Het zaallicht dooft, er klinkt muziek van Messiaen, en dan in het Twents psalm 131: Luuster noar mien stil wean: Mien hert is nich greuts, ik kiek nich astraant oet de oagen; ik hoal miej nich gangs met grote zaken, met wat miej boawn ’t benul geet. Nee, ik heb miejzölf töt röst brach, ik bin stiller wörn. Zo as nen kleanen bie de moo lig, as zonnen kleanen, zo bin ik.’

In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Mag ik nu van tafel af? Ja, mag ik gaan spelen? Ik wil het vanmiddag met u hebben over die ontroerende rust in de psalmen en het bijna blasfemische mag ik gaan spelen, over overgave en ongeduld.

Laat mij maar zingen, het boek van Gert dat vandaag gepresenteerd wordt, gaat over die uitersten, over zingen en spelen, ongeduld, boosheid, overgave en stilte. Een persoonlijk boek is het, geschreven in een klooster. Maar de zoektocht is van alle tijden – van ieder van ons.

Ik schuif altijd even op, als ik naar de operatiekamer ga, zegt ze, zodat God naast mij kan liggen. Die steun heb je wel nodig, zeg ik. Ze knikt en vertelt over hoe moeilijk het nu is. Na vele operaties nadert ze haar grens. Moet ik nog wel verder gaan? Ieder roept dat ik moet vechten, moed moet houden. Maar ik weet niet of ik wel wil vechten. Ik vind het een naar woord. Mag ik het ook uit handen geven? In Gods handen leggen?

Zomaar een deel van een gesprek in het ziekenhuis waar ik tot voor kort als geestelijk verzorger en ethicus werkte. In een ziekenhuis of nauwkeuriger een medisch centrum draait het om de behandeling en diagnose. Er is weinig tijd voor wat er met je gebeurt. Er is geen plek voor psalmen, maar ze klinken er wel! Tegen de klippen op. In kleine zinnen, tussendoor, in korte gebeden, luid of onhoorbaar.

‘Verdelg ze mijn vijanden’, bad ooit een patiënt met kanker in zijn lijf tijdens een chemokuur. ‘Nu snap ik het pas, die vijanden in het oude testament, in de psalmen. Verdelg ze! Kom maar op met je gif. Wees met mij en tegen dat wat mij opeet.’

De gemeenschap van mensen in het ziekenhuis is een eigen wereld, een binnenwereld. De wereld wordt klein als je ziek bent. Ook al volg je alert wat buiten gebeurt – de wereld verengt zich tot je lichaam, het wachten, de gang.

Na een operatie zijn vaak de eerste stappen buiten de veilige muren van je kamer al een grote overwinning. Wankele schreden, God houd me vast!

Er is ook de binnenwereld in jezelf, de binnenkant. Je onderdrukt je angst en je zorgen. Probeert je een beetje staande te houden in het medische gebeuren, kijkt bezorgd naar de infusen, controleert je pillen – ziek zijn is een dagtaak. Wat er echt in je omgaat, hoe angstig je bent, hoe verdrietig, het verlies, het gemis – er is vaak weinig ruimte erover te vertellen. Je gunt je zelf die ruimte ook niet, niet wetend of je dat wel aankunt. Of je dan niet door je bodem zakt.

Vandaag bij de presentatie van het boek van Gert hebben we het over deze binnenkant – wat daarin gebeurt – welke gevechten we leveren – met onszelf, met de buitenwereld, met God. En op welke grond we dan staan. Welke bodem je draagt. Toen je, Gert, mij vroeg of ik iets wilde zeggen vandaag, was het een uitnodiging zei je om iets te vertellen over wie God voor mij is.

Ik heb het opgevat als een uitnodiging te rade te gaan in mijn geschiedenis. En te kijken waar jouw en mijn geschiedenis elkaar raken. Het ziekenhuis en het klooster. Nu is een klooster eeuwenlang een toevluchtsoord geweest voor zieken en melaatsen. Zover uit elkaar liggen onze werelden niet. Misschien wel in de vraag hoe je de zoektocht aangaat – alleen – of met anderen, maar misschien is dat wel geen goede vraag. Onvermijdelijk gingen mijn gedachten terug naar de avond dat je bij ons thuis was, kort voor je vertrek naar Zundert. De avond dat je vertelde over je keuze voor de abdij van Maria Toevlucht. Over wat je daar trok en hoopte te vinden.

Wat nu, als het stil blijft, er geen reactie is, als die Ander die je zoekt niets laat horen, er niet is? Er opende zich een afgrond met die vraag, die aangekeken moest worden. Het antwoord wisten we niet, toen niet en nu ook niet, denk ik. We gaan het zien, was wat je zei. Ik vermoed dat je nu anders zult antwoorden. Want je hebt de lange weg langs die afgrond gewandeld, en soms gleed je uit, struikelde, dan weer was er plots een open plek, ruimte om op te ademen, licht dat je droeg. Vaker echter was het stil en eenzaam.

Zijn er wel woorden te geven aan een proces van zoeken naar God? Ja natuurlijk. Jouw boek getuigt ervan. Dat is juist te horen in de psalmen. Woorden die schreeuwen, verzuchten, aanklagen, verdriet benoemen, angsten zichtbaar maken. Maar ook hoop en perspectief geven, verlangen dat vervuld wordt, vreugde om ergens aan te komen. Om een thuis te vinden.

Gert neemt ons mee in zijn zoektocht, hij schreef de psalmen na – monnikenwerk is dat. Deze week heb ik ze gelezen, achter elkaar. Ook dat is monnikenwerk, vond ik. Meer nog dan de psalmen ontroerde mij de eigen gebeden na de psalm. Kleine gesprekken met die Ene. Die zijn vrij en komen dichterbij, zijn herkenbaar.

Al lezend in wat toch ook een solitaire zoektocht is, kwam een oud gevoel kwam weer bij me boven. Misschien, dacht ik bij mijzelf, al schroom ik, om dat hier zo te zeggen, heb ik meer met mensen, dan met een God. Of beter geformuleerd – in de lijn van Kees Waaijman – die het heeft over een godmenselijke betrekking – heb ik door mensen iets met God. Negatieve theologie is een ander voorbeeld daarvan.

Ik weet nooit zo goed wie of wat God is. Steeds minder eigenlijk ook. In de loop van de tijd ben ik me daar goed bij gaan voelen. Wel maakt het uit hoe we spreken over God, welke beelden we gebruiken. Mannelijk, vrouwelijk, de Ene, zoals jouw keuze is, over de Levende, waar Gerard over spreekt. Hoofdletters of kleine letter? Taal is niet neutraal hebben we geleerd, taal sluit uit. Dat maakt het zo moeilijk woorden voor God te vinden, tenminste als je God wilt verstaan als iets, iemand, hij, zij, die overstijgt, verbindt, die niemand wil uitsluiten. Maar die ook nabij kan zijn, benaderbaar, en toch ook een tegenover is, een spiegel.

God is een werkwoord, een stroom, was ooit de toen voor mij verrassende invulling die Mary Daly een Amerikaanse feministisch theoloog aan God gaf. Het opende mij de ogen voor een weidser perspectief op God. Beyond God the Father heette haar eerste boek, een poging te denken ver voorbij onze vertrouwde beelden. En na de eerste jaren waarin we als vrouwelijke theologen consequent vrouwenbeelden gebruikten en ageerden tegen exclusieve mannelijke beelden, herken ik meer dan ooit ons onvermogen woorden te geven, maar vooral zie ik de ruimte die dat biedt.

Veel dierbaarder dan woorden is mij de stilte geworden. Bij Psalm 119 bidt Gert :

Hoe lang nog deze mallemolen van woorden, hoe lang nog erin rond gaan.

Terwijl veel liever in de diepte,

Daaronder al haar zinnen

Dat ongeweten weten

Van stilte die na woorden komt.

God, een werkwoord, een stroom. Stilte. Die eeuwige is een woord dat ik graag gebruik. Omdat het tijd en plaats overstijgt. En omdat dat de verbondenheid uitdrukt met mensen die ver voor ons leefden, die net als wij zochten naar wat goed was, hoe lief te hebben, verdriet hadden – mensen die wij niet kennen, eeuwen geleden en concrete mensen, voorouders, vrienden, familie, die ons voorgingen, liefde die blijft – we hebben het vaak gezongen. Die liefde weeft het net, dat ons draagt, steeds weer een draad, zoals wij weven voor wie na ons komt en ook met hen verbonden zijn.

Verbergt God zijn gelaat, dan licht zijn liefde op in de ogen van de mensen – een kleine spreuk de ik al die jaren dat ik werkte in het ziekenhuis had geplakt aan de binnenkant van mijn bureaula. Dat is een opdracht en een belofte. God gebeurt in mensen.

Soms is het beeld concreet, iemand die naast je kan liggen op de operatietafel, daar waar je uit handen moet geven je lijf, je leven. Soms is er geen beeld, maar is er de stilte, die ons draagt.

Het is laat in de avond als ik word gebeld door een verpleegkundige van de longafdeling. Of ik kan komen voor een begeleiding bij een sterven vraagt ze. Een half uur later loop ik door de stille gangen van het ziekenhuis.

Het gaat om nog betrekkelijk jonge vrouw, vertelt de verpleegkundige. Drie jaar geleden is onverwachts haar man gestorven. Er zijn twee zoons, de jongste is net 18 geworden. Als ik binnenkom zitten zij stil rond het bed van hun moeder. Ook hun vriendinnen zijn er, al even aangrijpend jong.

 Als ik mij voorstel aan de moeder, licht er iets op in haar ogen. Ik ga dood zegt ze – mijn kinderen … ik kan het niet. Wilt u met ons bidden?

Als ik naar mijn kamer loop om nog even wat benodigdheden te halen denk ik na over wat te zeggen of te lezen. Ik zoek in de moderne kinderbijbel de vertaling van Eykman – over de liefde. Terug in de kamer zijn we weer stil.

Ik bid en lees de tekst.

Er rollen tranen over haar wangen. Dat is onze tekst, zegt ze. Precies deze, onze trouwtekst. Ik zalf haar ogen, haar oren, haar handen, zo zegen ik haar. En zo doen ook de kinderen. En we bidden vrij naar psalm 91, dat God engelen stuurt om ons te dragen, haar deze laatste uren en haar kinderen hun leven lang.

Ver na middernacht fiets ik terug naar huis. De intense stilte blijft bij mij.

De volgende dag belt de zoon om te vertellen dat zij vroeg in de ochtend is overleden.

Precies in de stilte – in die intense betrokkenheid tussen ieder die er was – liet God zich ervaren als Een die draagt.

Maar die stilte is wel weerbarstig, niet altijd is God vindbaar en dan hebben we engelen van mensen nodig om het lijden of de eenzaamheid van verlies te dragen.

Steeds minder weet ik over God, steeds minder over geloof. De theologie en geloof voorbij. Maar zonder kan ik niet.

We begonnen met Herman Finkers, psalm 131, mijn ziel is tot rust gekomen. Mijn ziel is aan jou gehecht, lees ik bij Gert bij psalm 63, de psalm, die we zo direct zullen zingen. Mijn ziel is aan God gehecht. Dat blijft.

En dat dat ook nu zo blijft, Gert, nu je uit het klooster je weg in de wereld opnieuw moet zoeken, dat wens ik je toe, dat de Ene je nabij is in mensen

Laat ons maar zingen. Samen moet dat lukken.

 

 

Woord van Leo Koerhuis

Bij het lied ‘kosmisch zingen’ 

“Wie spreekt, die weet niet. Wie weet, die spreekt niet”. Dat zeggen de Chinezen. Lieve Gert, je hebt mij uitgenodigd om te spreken bij het lied: “Kosmisch bidden”. Maar, ik zeg het maar meteen: ik had er niet op in moeten gaan. Want nu wordt dus pijnlijk duidelijk dat ik het niet weet. Wie het dan wel weet? Nou degene dus die níet spreekt, die zwijgt. Zwijgen is gewoon beter, zwijgen is goud.

Maar, lieve mensen, waarom is dat eigenlijk zo? Ik denk: domweg omdat wie zwijgt nu eenmaal veel meer hoort en ziet. Dat leren ons alle grote meesters, ook Jezus Christus. Als je leert zwijgen en steeds meer de stilte aandurft, dan schep je ruimte, stem je af en wacht je vol aandacht. Na wat stug door-oefenen met zen op een matje of gewoon zittend in de zon, kan de stilte in je neerdalen. Zoals aan het eind van een zomeravond, als het ineens stil wordt buiten. De laatste vogel fluit, planten vouwen zich naar binnen, alles ademt rust en stilte. En je gaat ongehoorde woorden horen, een kosmisch gegons dat de hele wereld omspant. Het herinnert je aan je oorsprong, want het is het eeuwige ademen waaruit je ontstaan bent, waarmee je verbonden bent en waarnaar je zult terugkeren als je er geweest bent. Het omgeeft je en leeft je en draagt je. Ik noem hier vrijuit Gods naam. God, ja, misschien wel het meest besmuikte woord in onze taal. Omdat het dan veelal gaat over de God van mijn tante. Maar die bedoel ik niet, want die is een publiek geheim of erger nog. En die wordt te pas en te onpas overal bijgesleept. Nee, die ik met God bedoel is de Ene, die aandringt en opdaagt als het mij lukt om stil te worden en om uit mijn kleine wereld de stap te zetten naar de grote en verder en verder. Als ik mijn hart en handen open en mij steeds meer weet te voegen in het universele leven door alle tijden heen. Daarom zoeken monniken de stilte, omdat ze verlangen naar die oerervaring van betrokkenheid en diepe verbondenheid. Hun stille zwijgen en hun psalmgezang vormen een brug naar die overkant. Niet dat dat altijd lukt, ook met die broeders en die zusters niet, godnee, wij weten wel beter! Maar toch: het is dáárom dat mensen bidden of ze nu gelovig zijn of niet: om die oude verbondenheid te zoeken, die band met het grote geheel, en om de hartslag van het leven te voelen, die uiteindelijk het geschenk van de Liefde is. Liefde die ons ontroert en aan het hart drukt, die alle planeten beweegt en die alles en allen met elkaar verbindt in één groot verband.

Bidden, dat is spreken met God, leerde ik ooit. Och, om te beginnen is dat misschien ook wel zo. Als er boosheid is, teleurstelling, verdriet, wanhoop, vreugde ook, dan moet je daar nu eenmaal woorden aan geven in een klacht, een vloek, een verwijt of een lied. Maar hoe ouder ik word, hoe meer ik besef dat waarachtig bidden is: je mond leren houden, zwijgen. De stilte zoeken en die bewaren. Inademen en uitademen, gespitst als een wachter in de nacht. Midden in onze lawaaicultuur van snel en veel en vaart en dynamiek, te midden van grote woorden en grote monden het lef hebben, ja het lef hebben om stil te worden, zonder boek of tekst of wat dan ook. En aandachtig luisteren, net zolang tot je merkt dat er iets gaande is in Gods Naam en je in de stilte een stem hoort, die je toefluistert dat je niet alleen bent, jij daar, maar dat je deel uitmaakt van een danskring, de kosmische reidans van het grote leven, een dans die ongezien wordt uitgevoerd en die zich beweegt door alle tijd en ruimte heen.

Want zeg nou zelf, wij ervaren ons eigen leven dikwijls als afgescheiden van de rest. En wij hebben geleerd vooral voor onszelf op te komen en te vechten voor zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Wij staan dan ook, bijna als vanzelf, voor eigenliefde en zelfzorg, voor hebben en houden. Maar u weet toch ook uit eigen ervaring: daar word je niet vrolijk van! Op den duur verschraalt je leven. Wie ben jij eigenlijk wel? Sterrenstof en nog wat. En daarom is het wijs en goed om telkens weer de stilte te zoeken en mee te geven met het verlangen om over de rand van je eigen beperkte tijdelijke leventje heen getrokken te worden, dóór de geheime deur naar het leven met alles en allen en de bron ervan, het mysterie dat ik God noem. Door zo te bidden, te leven, te denken en te voelen groeit je bewustzijn steeds meer. Je middelpunt verschuift. Je gaat jezelf voorzichtig te buiten, leert je gescheidenheid los te laten, komt je gebrokenheid te boven. Voorbij je grote ego en al zijn behoeften laat je je meevoeren in een weergaloze vlucht door tijd en ruimte heen. En je voegt je in een wij dat groter is dan “ik-en-wij” samen. Je zwijgende gebed wordt steeds meer kosmisch. De angst voor de dood gaat voorbij, want je ráákt al aan de eeuwigheid. Wie had dat ooit durven dromen! En toch is het zo.

Je stilte zelf wordt een levenshouding van overgave, van rust en van vertrouwen: Het is goed, kome wat komt! Je ziel krijgt grote vensters. Je gaat zien met nieuwe ogen, je waarneming wordt helder. Wat is er veel te zien! En je hoort een nieuwe harmonie, een líed in de kosmische leegte. Je krijgt steeds meer weet van het grote geheel en van die verbindende levenskracht. Je merkt dat alles daar stroomt en beweegt. En jij, waaghals, jij beweegt mee, eindelijk! Je leert je argeloos te verbinden met de ander die naast je is, want dat ben je zelf in de tijd van de ander. Je hart wordt groot en heel de natuur, planten en dieren en alle leven ga je in je liefde omarmen, want ze zijn zoals jij. Tot je op een dag in je denken en voelen als het ware het heelal kunt omvatten en er mag leven en bewegen en zijn. Langzaam ben je genaderd tot de Bron van het leven, het geheim van je bestaan. Je hoeft niet langer te zoeken, je weet je gevonden. Je bent tot rust en thuis gekomen, heel geworden, één en eeuwig, eindelijk vrij! Overweldigd door de onvoorwaardelijke Liefde die het leven zelf is, en die ook jou omhelst en borgt en bergt. Tranen in je ogen! Je hebt het gewaagd om de God van je tante en van zoveel andere hoge theologen los te laten en je bent de Ene, de Levende, op het spoor gekomen. Veel te laat heb ik Jou lief gekregen, God-nog-aan-toe, Schoonheid, wat ben je oud, wat ben je nieuw! Ja, veel te laat heb ik Jou lief gekregen.

Zoiets dus…

Ik weet, Gert, dat jij gepoogd hebt je passie te volgen en die weg te gaan, jarenlang als monnik in de abdij. Dat was goed, goed voor die jaren. Je moet ze bewaren, ze zijn kostbaar. Maar er zijn andere tijden aangebroken, andere inzichten binnengestroomd. En er is trouwens niks mis met een liefdevol leven buiten het klooster. Nog steeds immers volg je dat levenspad, nu als monnik in de stad, mensenmens en wereldburger als je geworden bent. En je bent er gelukkig mee. Maar wacht even, wacht even! Om misverstanden te voorkomen moet ook dit hier nog wel even worden gezegd: Niemand danst zomaar lichtvoetig en met gemak die kosmische levensruimte binnen. Ik heb je gevolgd, Gert, ik heb je gelezen. En wie de psalmen hertaalt zoals jij dat hebt gedaan, die laat zich in zijn hart kijken. In alle toonaarden van jouw psalmen en gebeden hoor ik ook de pijn van donkere nachten en beklemmende dagen. Je hebt ze tot je eigen gebed gemaakt. Ik hoor je daarin, met de eeuwen mee, zeggen en zingen wat je op je hart hebt, wat je ervan vindt en hoe het toch in Godsnaam verder moet met jouw leven en met de wereld. En vaak roep je dat ook nog namens hen die dat zelf allang niet meer kunnen, schor geschreeuwd of doodgezwegen als ze zijn. Ik heb je gevolgd, Gert, ik heb je gelezen, je verdriet, ja, maar óók je vreugde en je enórme levenslust! Uit alle kieren van je ziel ontsnapt het. Je eerste psalm begint met: Hou vol, je gaat goed! En je eindigt in je laatste met: Die is goed, zing voor God! Zo heb jij stilaan geleerd een nieuw lied te zingen, zachtjes van binnen of hardop naar buiten, een lied dat een kosmisch gebed is.

Er is een zien in het geheel dat ogen heeft gemaakt

Zien van het geheel, zie mij aan.

 

Er is een horen door het al dat oren deed ontstaan

Oren van het al, hoor mij gaan, hoor mij aan.

 

Er is een weten in het geheel dat denken heeft bedacht

Weten van het geheel, wees mijn meester, wees mijn geest.

 

Er is een treurnis in het al die bron van tranen werd

Boordeloos verdriet, droog mijn ogen, droog mij ziel.

Er is iets dierbaars in ’t heelal dat harten heeft verzacht

Lief dat lief omspeelt, mag ik delen? Mag ik heel?

 

Een lied van Bernard Huijbers. We gaan het zingen! Zingen voor jou, Gert, en voor ons allemaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.